Eindtermen en Ontwikkelingsdoelen
Eindtermen zijn minimumdoelen op het vlak van kennis, inzicht, vaardigheden en attitudes die de onderwijsoverheid als noodzakelijk en bereikbaar acht voor een bepaalde leerlingenpopulatie.
De eindtermen en ontwikkelingsdoelen willen jongeren gelijke kansen bieden voor hun persoonlijke ontwikkeling en hun maatschappelijk functioneren. Een gezonde, actieve en veilige leefstijl is één van de basisvoorwaarden voor een kwaliteitsvol leven.
Een gezonde leefstijl heeft niet alleen te maken met het fysieke. Het is nodig evenveel aandacht te besteden aan de psychische, emotionele en sociale aspecten van levenskwaliteit.
Wie werkt aan een gezondheidsbeleid op school, werkt ook aan ontwikkelingsdoelen / eindtermen, we geven een overzicht voor het:
Buitengewoon lager onderwijs type 1
Zoek je uitgebreide informatie over ontwikkelingsdoelen en eindtermen? Ga door naar de website van de dienst curriculum.
Kleuteronderwijs
Algemene gezondheid
Kleuters
• 1.9 kunnen bij zichzelf en bij anderen het verschil tussen ziek, gezond en gewond zijn herkennen;
• 1.10 kunnen in concrete situaties gedragingen herkennen die bevorderlijk of schadelijk zijn voor hun gezondheid.
Bewegen
Kleuters
- 2.1 behouden de natuurlijke vitaliteit en bereidheid om fysieke inspanningen te leveren;
- 2.2 kunnen een fysieke inspanning een tijdlang volhouden;
- 2.3 beleven zichtbaar plezier aan fysieke inspanningen;
- 2.4 herkennen effecten van fysieke activiteit op het eigen lichaam en kunnen dat op hun manier verwoorden;
- 2.5 nemen zelf initiatief om grootmotorisch te bewegen;
- 2.6 behouden hun natuurlijke lenigheid;
- 2.7 kunnen eenvoudige verplaatsingsvormen op snelheid uitvoeren;
- 2.8 kunnen in diverse spelsituaties de nodige kracht tonen om het eigen lichaamsgewicht en kleuter-aangepast spelmateriaal te verplaatsen en te dragen;
- 2.9 herkennen effecten van fysieke activiteit op het eigen lichaam en kunnen dat op hun manier verwoorden.
- 2.10 ontwikkelen een goed hygiënische gewoonte en weten dat zij schoeisel en kledij moeten aanpassen aan de omstandigheden.
Genotmiddelen
Kleuters
- 1.12 weten dat ze door de inname van sommige producten en planten ziek kunnen worden.
Hygiëne
Kleuters
- 1.9 kunnen bij zichzelf en bij anderen het verschil tussen ziek, gezond en gewond zijn herkennen;
- 1.10 kunnen in concrete situaties gedragingen herkennen die bevorderlijk of schadelijk zijn voor hun gezondheid;
- 1.11 tonen goede gewoonten in hun dagelijkse hygiëne;
Seksuele ontwikkleing en relaties
Kleuters
- 3.1 kunnen in concrete situaties verschillende manieren van omgaan met elkaar herkennen en erover praten;
- 3.2. kunnen bij anderen gevoelens van bang, blij, boos en verdrietig zijn herkennen en kunnen meeleven in dit gevoel;
- 3.3. weten dat mensen eenzelfde situatie op een verschillende wijze kunnen ervaren en er verschillend kunnen op reageren;
- 3.4 kunnen een gevoeligheid tonen voor de behoeften van anderen;
- 3.5 kunnen voor zichzelf opkomen door signalen te geven die voor anderen begrijpelijk en aanvaardbaar zijn;
- 3.6 kennen en begrijpen omgangsvormen, leefregels en afspraken die van belang zijn voor het samenleven in een groep;
- 3.7 kunnen in concrete situaties met de hulp van een volwassene afspraken maken;
- 3.8 kunnen bij een activiteit of een spel in een kleine groep, controleren of de anderen zich aan de regels houden;
Welbevinden en geestelijke gezondheid
Kleuters
- 3.1 kunnen bij zichzelf onderkennen wanneer zij bang, blij, boos of verdrietig zijn en kunnen dit op een eenvoudige wijze uitdrukken;
- 3.2 kunnen in een eenvoudige taal een recent gebeurde situatie waarbij zij betrokken waren in dialoog met een volwassene, beschrijven en vertellen hoe zij zich daarbij voelden;
- 3.3 tonen in concrete situaties voldoende zelfvertrouwen in eigen mogelijkheden;
Lager onderwijs
Algemeen
De leerlingen
- WO 1.8 kunnen de functie van belangrijke organen die betrokken zijn bij ademhaling, spijsvertering en bloedsomloop in het menselijk lichaam verwoorden op een eenvoudige wijze;
- WO 1.9 kunnen de functie van de zintuigen, het skelet en de spieren op een eenvoudige wijze verwoorden;
- WO 1.17 kunnen gezonde en ongezonde levensgewoonten in verband brengen met wat ze weten over het functioneren van het eigen lichaam;
- WO 1.18 weten dat bepaalde ziekteverschijnselen en handicaps niet altijd kunnen worden vermeden;
- WO 1.19 beseffen dat het nemen van voorzorgen de kans op ziekten en ongevallen vermindert;
Bewegen
De leerlingen
- B 1.6* tonen in het bewegen een intuïtief, maar ook een bewust kennen, aanvoelen, omgaan en rekening houden met de eigen lichaamskenmerken, -mogelijkheden en -beperkingen;
- B 2.1* hebben noties over eigen constitutie en ontwikkelen een correcte lichaamshouding.
Gezondheid en milieu
De leerlingen
- WO 1.22 kunnen bij de verzorging van dieren en planten uit hun omgeving zelfstandig basishandelingen uitvoeren;
- WO 1.23* tonen zich in hun gedrag bereid om in de eigen klas en school zorgvuldig om te gaan met afval, energie, papier, voedsel en water;
- WO 1.24 kunnen met concrete voorbeelden uit hun omgeving illustreren hoe mensen op positieve, maar ook op negatieve wijze omgaan met het milieu;
- WO 1.25 kunnen met concrete voorbeelden uit hun omgeving illustreren dat aan milieuproblemen vaak tegengestelde belangen ten grondslag liggen;
- WO 1.26* tonen respect en zorg voor de natuur vanuit het besef dat de mens voor zijn levensbehoeften afhankelijk is van het natuurlijk leefmilieu.
Seksualiteit en relaties
De leerlingen
- WO 1.10 kunnen lichamelijke veranderingen die ze bij zichzelf en leeftijdsgenoten waarnemen, herkennen als normale aspecten in hun ontwikkeling.
Veiligheid en eerste hulp
De leerlingen
- WO 1.20 kunnen de hulp inroepen van een volwassene in een noodsituatie;
- WO 1.21 kunnen elementaire hulp toedienen bij brandwonden.
Welbevinden en geestelijke gezondheid
De leerlingen
- B 1.20 bis passen de afgesproken spelregels toe en aanvaarden de sancties bij overtredingen;
- B 3.1* zijn bereid een opdracht vol te houden en af te werken.;
- B 3.5* tonen spontaneïteit, expressiviteit en echtheid op een sociaal aanvaarde wijze;
- B 3.6* zien ongecontroleerde en ongewenste uitingen bij zichzelf in en zetten ze recht.
- WO 3.1* drukken in een niet-conflictgeladen situatie, eigen indrukken, gevoelens, verlangens, gedachten en waarderingen spontaan uit;
- WO 3.2 kunnen beschrijven wat ze voelen en wat ze doen in een concrete situatie en kunnen illustreren dat zowel hun gedrag als hun gevoelens situatiegebonden zijn;
- WO 3.3* tonen in concrete situaties voldoende zelfvertrouwen, gebaseerd op kennis van het eigen kunnen;
- WO 3.4 kunnen in concrete situaties verschillende manieren van omgaan met elkaar herkennen, erover praten en aangeven dat deze op elkaar inspelen;
- WO 3.5* tonen de bereidheid zich te oefenen in omgangswijzen met anderen waarin ze minder sterk zijn;
- WO 3.6* tonen in een eenvoudige conflictsituatie in de omgang met leeftijdgenoten de bereidheid om te zoeken naar een geweldloze oplossing.
- WO 3.7* hebben aandacht voor de onuitgesproken regels die de interacties binnen een groep typeren en zijn bereid er rekening mee te houden.
* De attitudes werden met een asterisk (*) in de kantlijn aangeduid.
Buitengewoon lager onderwijs type 1
Algemeen
WO11 De leerling kan belangrijke organen die betrokken zijn bij de levensprocessen bij de mens (geboorte, groei, ademhaling en transport van stoffen) lokaliseren, benoemen en hun functie op een eenvoudige wijze verwoorden
WO12 De leerling illustreert dat mens en dier dankzij de zintuigen zien, horen, ruiken, voelen, proeven
WO13 De leerling geeft bij zichzelf aan welk lichaamsdeel instaat voor het horen, zien, ruiken, proeven en voelen.
WO14 De leerling illustreert de functie van de zintuigen, van het skelet en van de spieren op een eenvoudige wijze.
WO15 De leerling kan lichamelijke veranderingen die hij bij zichzelf en leeftijdgenoten waarneemt, herkennen als normale aspecten in de ontwikkeling.
WO30 De leerling herkent bij zichzelf en bij anderen het verschil tussen ziek, gezond en gewond zijn.
WO31 De leerling geeft aan dat sommige mensen van bij de geboorte een handicap hebben.
WO33 De leerling herkent in concrete situaties gedragingen die bevorderlijk of schadelijk zijn voor de gezondheid.
Genotsmiddelen
WO35 De leerling geeft aan dat regelmatig gebruik van bepaalde producten in bepaalde omstandigheden kan leiden tot verslaving.
Hygiëne
WO36 De leerling toont goede gewoonten inzake dagelijkse hygiëne.
WO37 De leerling beseft dat het nemen van voorzorgen de kans op besmettelijke ziekten, parasieten of schimmels vermindert of uitsluit.
Veiligheid en eerste hulp
WO38 De leerling herkent gangbare pictogrammen inzake gezondheid en veiligheid en handelt overeenkomstig
WO39 De leerling weet dat hij door de inname van sommige producten en planten ziek kan worden.
WO40 De leerling roept hulp in bij ongeval.
WO41 De leerling kan passende elementaire hulp toedienen bij lichte schaafwonden en brandwonden.
WO42 De leerling past de evacuatieregels toe bij alarm op school.
WO43 De leerling herkent in zijn omgeving plekken waar hij veilig kan spelen en waar niet.
Voeding
WO34 De leerling kent de basisregels voor een gezonde voeding en begrijpt het belang van gewichtscontrole.
Welbevinden en geestelijke gezondheid
SEO27 De leerling leeft mee met gevoelens van anderen en laat dit blijken
SEO28 De leerling houdt er rekening mee dat mensen kunnen veranderen
SEO29 De leerling laat blijken dat hij op een onbevangen en respectvolle wijze rekening houdt met en omgaat met leeftijdsgenoten.
SEO30 De leerling komt op voor leeftijdsgenoten
SEO31 De leerling houdt er rekening mee dat conflicten ontstaan door tegengestelde wensen, opvattingen en gevoelens.
SEO32 De leerling zoekt bij een conflict een geweldloze oplossing die voor beide partijen aanvaardbaar is.
Secundair onderwijs
Vakoverschrijdende eindtermen vanaf 1 september 2010
Meer info over de nieuwe vakoverschrijdende eindtermen is te vinden in de brochure VOET@2010
Download het onderstaande document.
Gemeenschappelijke stam
De leerlingen:
(communicatief vermogen)
1 brengen belangrijke elementen van communicatief handelen in praktijk;
(creativiteit)
2 kunnen originele ideeën en oplossingen ontwikkelen en uitvoeren;
3 ondernemen zelf stappen om vernieuwingen te realiseren;
(doorzettingsvermogen)
4 blijven, ondanks moeilijkheden, een doel nastreven;
(empathie)
5 houden rekening met de situatie, opvattingen en emoties van anderen;
(esthetische bekwaamheid)
6 kunnen schoonheid ervaren;
7 kunnen schoonheid creëren;
(exploreren)
8 benutten leerkansen in diverse situaties;
(flexibiliteit)
9 zijn bereid zich aan te passen aan wisselende eisen en omstandigheden;
(initiatief )
10 engageren zich spontaan;
(kritisch denken)
11 kunnen gegevens, handelwijzen en redeneringen ter discussie stellen aan de hand van relevante
criteria;
12 zijn bekwaam om alternatieven af te wegen en een bewuste keuze te maken;
13 kunnen onderwerpen benaderen vanuit verschillende invalshoeken;
(mediawijsheid)
14 gaan alert om met media;
15 participeren doordacht via de media aan de publieke ruimte;
(open en constructieve houding)
16 houden rekening met ontwikkelingen bij zichzelf en bij anderen, in samenleving en wereld;
17 toetsen de eigen mening over maatschappelijke gebeurtenissen en trends aan verschillende standpunten;
(respect)
18 gedragen zich respectvol;
(samenwerken)
19 dragen actief bij tot het realiseren van gemeenschappelijke doelen;
(verantwoordelijkheid)
20 nemen verantwoordelijkheid op voor het eigen handelen, in relaties met anderen en in de samenleving;
(zelfbeeld)
21 verwerven inzicht in de eigen sterke en zwakke punten;
22 ontwikkelen een eigen identiteit als authentiek individu, behorend tot verschillende groepen;
(zelfredzaamheid)
23 doen een beroep op maatschappelijke diensten en instellingen;
24 maken gebruik van de gepaste kanalen om hun vragen, problemen, ideeën of meningen kenbaar te maken;
(zorgvuldigheid)
25 stellen kwaliteitseisen aan hun eigen werk en aan dat van anderen;
(zorgzaamheid)
26 gaan om met verscheidenheid;
27 dragen zorg voor de toekomst van zichzelf en de ander.
Leren leren
- Opvattingen over leren
- Informatieverwerving
- Informatieverwerking
- Problemen oplossen
- Regulering van het leerproces
- Studie- en beroepsgericht keuzebekwaamheid
Context 1: Lichamelijke gezondheid en veiligheid
De leerlingen:
1 verzorgen en gedragen zich hygiënisch;
2 leren het eigen lichaam kennen en reageren adequaat op lichaams¬signalen;
3 vinden evenwicht tussen werk, ontspanning, rust en beweging;
4 nemen een ergonomische en gevarieerde sta-, zit-, werk- en tilhouding aan;
5 maken gezonde keuzes in hun dagelijkse voeding;
6 hanteren richtlijnen voor het hygiënisch omgaan met voeding;
7 nemen dagelijks tijd voor lichaamsbeweging;
8 schatten de risico’s en gevolgen in bij het gebruik van genotsmiddelen en medicijnen en reageren assertief in aanbodsituaties;
9 nemen voorzorgsmaatregelen tegen risicovol lichamelijk contact;
10 participeren aan gezondheids- en veiligheidsbeleid op school;
11 passen veiligheidsvoorschriften toe en nemen voorzorgen voor een veilige leef- en werkomgeving;
12 roepen hulp in en dienen eerste hulp en cpr toe;
13 passen het verkeersreglement toe;
14 gebruiken eigen en openbaar vervoer op een veilige manier;
15 beseffen dat maatschappelijke fenomenen een impact hebben op veiligheid en gezondheid.
Context 2: Mentale gezondheid
De leerlingen:
1 gaan adequaat om met taakbelasting en met stressvolle situaties;
2 gaan gepast om met vreugde, verdriet, angst, boosheid, verlies en rouw;
3 erkennen probleemsituaties en vragen, accepteren en bieden hulp;
4 aanvaarden en verwerken hun seksuele ontwikkeling en veranderingen in de puberteit;
5 kunnen zich uiten over en gaan respectvol om met vriendschap, verliefdheid, seksuele identiteit en geaardheid, seksuele gevoelens en gedrag;
6 stellen zich weerbaar op;
7 gebruiken beeld, muziek, beweging, drama of media om zichzelf uit te drukken;
8 herkennen de impact van cultuur- en kunstbeleving op het eigen gevoelsleven en gedrag en dat van anderen.
Context 3 : Sociorelationele ontwikkeling
De leerlingen:
1 kunnen een relatie opbouwen, onderhouden en
beëindigen;
2 erkennen het bestaan van gezagsverhoudingen
en het belang van gelijkwaardigheid, afspraken
en regels in relaties;
3 accepteren verschillen en hechten belang aan
respect en zorgzaamheid binnen een relatie;
4 kunnen ongelijk toegeven en zich verontschuldigen;
5 handelen discreet in situaties die dat vereisen;
6 doorprikken vooroordelen, stereotypering, ongepaste
beïnvloeding en machtsmisbruik;
7 bespreken opvattingen over medische, psychische
en sociale aspecten van samenlevingsvormen,
veilig vrijen, gezinsplanning, zwangerschap
en zwangerschapsafbreking;
8 uiten onbevangen en constructief hun wensen en
gevoelens binnen relaties en stellen en aanvaarden
hierin grenzen;
9 zoeken naar constructieve oplossingen voor conflicten;
10 beargumenteren, in dialoog met anderen, de dynamiek
in hun voorkeur voor bepaalde cultuur- en
kunstuitingen;
11 gebruiken cultuur- en kunstuitingen om begrip
op te brengen voor de leefwereld van anderen.
Context 4: Omgeving en duurzame ontwikkeling
Context 5: Politiek-juridische samenleving
Context 6: Socio-economische samenleving
Context 7: Socio-culturele samenleving
Ook deze contexten bevatten raakvlakken met gezondheidsbevordering.


